Wat doen we samen

En wat komt daar bij kijken

22 aanbevelingen bij het ontwerpen van woonprojecten met gemeenschappelijke voorzieningen

blokken


Flip Krabbendam

 

1) Wat delen we en met hoeveel?

Gedeelde voorzieningen in de sfeer van het wonen, dat is wat alle vormen van gemeenschappelijk wonen met elkaar gemeen hebben. Maar wat zijn nu voorzieningen die daarvoor in aanmerking komen, 'wat doen we samen', en wat is een geschikte groepsgrootte die past bij de voorziening, 'en met hoeveel'?  


Van klein naar groot

Gedeelde voorzieningen komen we tegen bij kleine groepjes, in een groepswoning, bij wat grotere groepen, zoals een ouderwets hofje, en bij grote groepen, op het niveau van een straat. Hieronder wil ik hiervan een aantal voorbeelden geven.

Hal, cluster en groep

Een vroeg voorbeeld van een kleinschalige gedeelde voorziening vinden we in de experimentele flats in Utrecht Overvecht (1971). Hier zijn telkens 4 woningen gesitueerd rond een gemeenschappelijke 'hal'. Deze hallen werden en worden gebruikt als speelruimte voor kinderen, om te tafeltennissen, om spelletjes te spelen of voor een gemeenschappelijke maaltijd.

Hallen Overvecht

Experimentele flats in Overvecht. De gemeenschappelijke hallen functioneren als speel- en spelletjesruimte

In veel centraal wonen projecten zien we 'clusters' van 4 en 5 zelfstandige woningen, die een gezamenlijke ruimte delen om te koken en te eten. Wat in de praktijk neerkomt op groepjes van 8 personen, maar het kunnen er meer zijn: bij 4 gezinnen met elk 2 kinderen kan dit oplopen tot 16 personen. In sommige projecten zien we geen zelfstandige woningen, maar onzelfstandige eenheden waar de nadruk ligt op 'groepen' waar gekookt, gegeten en 'gezeten' kan worden.


 In de experimentele flats in Overvecht zien we dat groepen van 4 huishoudens niet een woonkeuken delen, maar een woon- en spelletjeskamer. Dat kan dus ook.


Hofje, pleintje, klein project of hof

Van een iets hoger schaalniveau vinden we gedeelde voorzieningen bij de klassieke hofjes van 20 à 30 huisjes, waar men een toegangspoort deelt (ooit met bewaking)  en een gemeenschappelijke binnentuin (ooit voorzien van een pomp).
In Denemarken is in 1978 een project opgeleverd in Herfølge, genaamd 'Tinggarden' (theetuin), waarin 6 zogeheten 'familiegroepen' zijn opgenomen van rond de 15 huishoudens. Elke familiegroep (van mensen die geen familie zijn!) is gebouwd rond een pleintje waar men een fietsenstalling deelt en een losstaand bouwwerkje met een keuken en eetruimte, wasmachines, een droogruimte, de centrale verwarming en zonnecollectoren.    
Tingarden
    
Een overzicht van het hele project van 6 'familiegroepen'. Elke groep deelt een fietsenstalling en een bouwwerkje met een eet- en kookruimte, wasmachines en energievoorziening. (A t/m F)  
Tingarden
 
Het gemeenschappelijke bouwwerkje voor een 'familiegroep'

Voorzieningen op dit schaalniveau zien we ook in het project van 'gemeenschappelijk wonen' in Nieuwegein (1982). Hier gaat het om 'hoven' voor ongeveer 30 huishoudens, die een fietsenberging delen en een binnentuin met bijvoorbeeld speelgelegenheid, een pik-nik tafel en  een vuurplaats. In het 'centraal wonen' project in Delft bestaat een dergelijk niveau ook, maar dan voor gemiddeld 20 huishoudens. Hier is de 'hof' ook nog voorzien van een klussenhok en een wasmachineruimte.      
De genoemde 'hoven' zijn deel van een groter project, maar er zijn ook kleine projecten op deze schaal. Hier delen de bewoners niet alleen een binnentuin maar ook een ontmoetingsruimte en vaak ook een klussenhok. Een voorbeeld van zo'n project is de 'Zonnespreng' in Driebergen (2010). Een project van 20 huishoudens met een grote gemeenschappelijke tuin, een ontmoetingsruimte, een kelder en een logeerkamer.


Zonnespreng    

De voortuin van  de 'Zonnespreng' in Driebergen. Ontmoetingsruimte in de poort

Straat, woonerf of project

Op een hoger schaalniveau kunnen we opnieuw gedeelde voorzieningen aantreffen. Traditioneel is dat de 'straat', waar kinderen kunnen spelen, en waar men kan slenteren, bijpraten, barbecueën  of gefeest.  In de zeventiger jaren werd op veel plaatsen het 'woonerf' geïntroduceerd, een straat die zo was vormgegeven dat auto's hun plaats kenden, zodat de bewoners deze straat weer konden  gebruiken voor de hierboven beschreven activiteiten.



Delf-Zuid
Een woonerf in Delft-Zuid, gebouwd in de tachtiger jaren

In het eerdergenoemde 'Tinggarden' zien we ook een straat op projectniveau, de hoofdader, en daarbij is er een algemene (binnen)ruimte voor het geheel van 90 huishoudens, bedoeld voor grote bijeenkomsten en sport.  
Centraal wonen projecten die vanaf deze tijd, eind jaren zeventig, in Nederland ontstonden, zijn meestal ook voorzien van een eigen buitengebied, zoals een straat of een pleintje, en daarbij beschikt men dan over binnenruimten voor het hele project, 'projectruimten' genoemd. Voor baravonden en vergaderingen, voor hobby's of voor de opvang van kinderen. Vaak gaat het om een middelgrote projecten van ongeveer 50 huishoudens, ca 125 personen, zoals in Hilversum (het lagere niveau: de cluster) of Delft (de lagere niveaus: groep  en hof). Vergelijkbare voorzieningen komen we ook tegen bij 'gemeenschappelijk wonen' in Nieuwegein, een groot project waar aanvankelijk ruim 250 personen woonden, een aantal dat te vergelijken is met 100 huishoudens. (lagere  niveaus: groep, cluster  en hof).
 

Een reeks van niveaus

Het delen van voorzieningen heeft een sociale betekenis. Hierdoor onderhouden we contacten met anderen. Dat is belangrijk, want we zijn niet alleen wie we zijn, we zijn ook wie we zijn in relatie tot anderen. Wie in een galerijflat woont ziet zich geplaatst in een grootschalige omgeving die meestal contacten met anderen ontmoedigt. In een sociaal vacuüm. Zijn we opgenomen in een kleine overzichtelijke groep, dan is er een sociale context waarin we ons ten opzichte van anderen kunnen plaatsen.  Voor zo'n kleine overzichtelijk groep geldt hetzelfde, daarom zal deze zich moeten kunnen plaatsen in een grotere groep die fungeert als sociale context.   


Elke samenlevingseenheid heeft een sociale context nodig waarin deze zich kan plaatsen



Zo voortredenerend ontstaat er een reeks van sociale schaalniveaus, van slaapkamer tot stadscentrum, die ervoor zorgt dat men op elk schaalniveau kan beschikken over de sociale context van een hoger niveau waar men zichzelf of de eigen groep kan plaatsen. Deze reeks bestaat gewoonlijk wel, maar meestal zit er een flink gat in. In de woning zien we de woonkamer als gedeelde voorziening die het gezinsleven mogelijk maakt, de sociale context waarin de leden van het gezin zich kunnen plaatsen. Maar dan komt er een hele tijd niets, totdat de reeks vanaf het sociale schaalniveau van de buurt weer gestalte krijgt. Maar de sociale context die de buurt vormt is voor een huishouden wel erg groot, het valt niet mee om het eigen huishouden daarin te plaatsen.    
Het zijn de middelgrote en grote projecten van het niveau van een straat, voor 50 tot 100 huishoudens, die het gat kunnen overbruggen, die groot genoeg zijn om tot hun recht komen in het decor van de buurt, in de sociale context die gevormd wordt door voorzieningen als buurtwinkeltjes, een buurtsuper en speelgelegenheid.
De buurt kan zichzelf herkennen in de sociale context van de wijk, die weer een plaats vindt in het stadsdeel, dat weer is opgenomen in het geheel van de stad, elk schaalniveau met eigen bijpassende voorzieningen. Zo kan de reeks zich voortzetten, waarbij elk sociaal schaalniveau zich kan plaatsen in de sociale context van een hoger niveau.

Nu zijn er huishoudens, groepen, hoven en projecten waar het sociale leven wordt verstoord door problemen. Niet alle schaalniveaus zorgen voor een florerende sociale context. Het vormen van een reeks van sociale schaalniveaus kent dus zijn beperkingen, maar dat neemt niet weg dat de introductie van gedeelde voorzieningen op lagere niveaus een gat kan overbruggen, waardoor het isolement van het individuele huishouden, voor wie dat wil, doorbroken kan worden.        

Literatuur

Het is moeilijk om in de literatuur iets te vinden over groepsgrootten, gekoppeld aan passende voorzieningen. Ik heb er in de loop van de tijd een paar kunnen vinden:
-voor vergaderingen is het getal van 8 personen een soort optimum, dat alle deelnemers tot hun recht komen.    
-Een ander getal dat genoemd wordt is 30. Dit is het aantal mensen dat samen kan leven zonder dat afspraken schriftelijk hoeven te worden vastgelegd.  
-dan is er het getal 120, dat staat voor het aantal mensen dat we in ons leven kunnen overzien als kennissenkring.   

Passende voorzieningen

Het leven op een bepaald een schaalniveau van de reeks staat of valt met passende voorzieningen. Een gemeenschappelijke keuken voor 8 personen functioneert goed, maar zijn dat er 18 dan functioneert de keuken nauwelijks meer.


Aan de ideeën van 'transition towns' en 'ecovillages' kunnen we een aantal interessante functionele voorzieningen ontlenen.


Zo lijkt een 'hof' de ideale voorziening voor een groep van 20 à 30 huishoudens. Dit niveau blijkt goed te voldoen voor het onderhouden van een tuin en van een paar voorzieningen.          
Het volgende niveau dat we tegenkomen is dat van een straat of project van 50 tot 100 huishoudens. Passende voorzieningen zijn hier een ontmoetingsruimte, annex bar. Soms aangevuld met een opvangruimte voor kinderen, hobbyruimten, en een enkele keer met een inkoopcoöperatie en een restaurantje.     

Transition towns en ecovillages

Aan de  ideeën van 'transition towns' en 'ecovillages' kunnen we nog een aantal interessante voorzieningen ontlenen, zoals een plantenkas en een moestuin, een grijswater circuit, een helofytenfilter voor hergebruik van het afvalwater, een wadi voor de opvang van regenbuien, serres en zonnecellen.

moestuin

Deze kunnen over de verschillende niveaus verdeeld worden, waarbij wel de vraag moet worden gesteld of er voldoende mensen zijn om het werk kunnen doen, de installaties onderhouden, en waar nodig  de producten verdelen.

Nu concreet

In de bovenbeschreven voorbeelden hebben we de volgende niveaus gezien: huishouden, cluster of groep ,hof en straat of project. Om hier een reeks van te maken is het zaak de aantallen zo te kiezen dat de niveaus op elkaar voortbouwen. Om in de buurt van de praktijk te blijven lijkt een vermenigvuldigingsfactor van 4 dan voor de hand te liggen. Dit leidt tot de volgende aanbevelingen:

  1. leden van het huishouden delen een woonkamer en een keuken
  2. 4 huishoudens die een cluster vormen, of 8 personen die een groep vormen, delen een woonkeuken
  3. 4 clusters of groepen (16 huishoudens), ca 30 personen delen een hof, bestaande uit een tuin, een fietsenberging en mogelijk een hobbyruimte en wasmachines.
  4. 4 hoven (64 huishoudens), ca 130 personen bewonen een 'project' of straat met een algemene ontmoetingsruimte en mogelijk hobbyruimten en ruimten voor kinderopvang.


Misschien overbodig te zeggen, maar de genoemde aantallen vormen niet meer dan een begin om over het onderwerp na te gaan denken. En naar de praktijk te kijken. Er zijn projecten die functioneren, bij andere aantallen of als  één van de genoemde niveaus ontbreekt.
Verder is het interessant om eens na te gaan wat het effect is van het verschil tussen groepen en clusters. Kost het zelfstandige huishoudens die met  4 of 5 een cluster vormen, niet onnodig veel energie om zowel het eigen huishouden als de cluster te 'runnen'? Deze niveaus lijken immers veel op elkaar: koken en eten (en natafelen) vinden plaats, zowel op het niveau van de cluster als op het niveau van het huishouden.  Mogelijk is het aan te raden om bij zelfstandige huishoudens het niveau van de cluster over te slaan en deze huishoudens direct op te nemen in hoven van 16 huishoudens.


Wonen is een deeltijdbaan geworden


Wat we bij dit alles ook moeten bedenken: man en vrouw werken overdag beiden, kinderen zitten op school of op de BSO. Overdag is er bijna niemand thuis.  Wonen is een deeltijdbaan geworden.  We hebben niet veel tijd om naast het wonen in de eigen woning voorzieningen ook nog te delen buiten de woning. Zeker als we voorzieningen willen  ontlenen aan 'transitiontowns' en 'ecovillages' dan moeten we zeker kunnen zijn van de beschikbaarheid van 'werknemers'.     

2  Wat delen we met wie?

Gedeelde voorzieningen, dat is wat alle vormen van gemeenschappelijk wonen met elkaar gemeen hebben. Maar met wie willen we deze voorzieningen eigenlijk delen?

Sociale context

Zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien verziet de woonomgeving nauwelijks in een sociale context waarin huishoudens, alleenstaanden of gezinnen, zichzelf kunnen plaatsen. Op het niveau van de straat zijn sociale contacten vaak incidenteel, en het niveau van de buurt ligt zo ver van het individuele huishouden af dat het de vraag is of dit huishouden daar nog tot z'n recht komt. Nu kan een woongroep zorgen voor een sociale context, waarin het individuele huishouden zichzelf kan plaatsen, maar voor de woongroep als geheel geldt nog steeds dat de stap naar de buurt erg groot is. Voor een sociale context is het daarom belangrijk dat er een reeks van sociale niveaus bestaat, van het huishouden, via een groep of cluster, een hof, het project en de buurt naar hogere niveaus.  Hiervoor hebben we ook gezien welke voorzieningen daar een rol bij kunnen spelen. In dit hoofdstuk kijken we naar het karakter van het sociale leven op de verschillende niveaus van de reeks.

Variatie in huishoudengrootte

Een kenmerk van Centraal Wonen is het streven naar een gevarieerde opbouw van de bewonersgroep. Reden om bij het delen van voorzieningen huishoudens van verschillende grootte te betrekken, zoals alleenstaanden, tweepersoons huishoudens en gezinnen, dan kan dit het leven van elk van de huishoudens verrijken. De volwassenen van deze huishoudens hebben allemaal meer ontplooiingskansen in hun directe woonsfeer, huishoudens zonder kinderen kunnen betrokken raken bij het opgroeien van kinderen en de kinderen kunnen met meerdere volwassenen in contact komen, waardoor de overgang naar het zelfstandig worden en wonen wat geleidelijker kan verlopen. Een aspect waarop in het ontwerp van een project kan worden geanticipeerd. Dit heeft men gedaan in Centraal Wonen Hilversum, waar opgroeiende kinderen over een eigen opgang kunnen beschikken via het dak van de clusterruimte. In het Deense project in Hillerød, 'Saettedammen', heeft men waar nodig buitentrappen geplaatst naar het balkon van de eerste verdieping, waar de kinderkamers gesitueerd zijn. In het eerdergenoemde Deense project Tinggarden zijn er zelfs geheel zelfstandige kamers met een eigen opgang. Deze is dan weer opgenomen in de beslotenheid van de 'familiegroep' van 15 huishoudens.
De variatie van huishoudengrootte leidt tot de volgende aanbevelingen:

  1. zorg voor een variatie in woninggrootte.
  2. houdt de mogelijkheid open voor een woonruimte met eigen opgang voor kinderen die zelfstandig beginnen te worden.

 

trap naar zelfst. unit tingarden

Een eigen opgang voor zelfstandig wordende kinderen in het project Tinggarden in Denemarken

Variatie in leeftijd

Ook de variatie van verschillende leeftijden kan een verrijking betekenen. Hierdoor kunnen ouderen genieten van de onbevangenheid van kinderen, die


Verschillende levensfasen zouden elkaar kunnen verrijken


op hun beurt weer kunnen profiteren van de levenservaring van ouderen, wat ook kan gelden voor hun ouders. Zo kunnen verschillende levensfasen elkaar verdiepen en verrijken. 
De variatie van leeftijden leidt tot de volgende aanbeveling:

  1. 7)   -zorg voor woningen die geschikt zijn voor ouderen,  jongeren en gezinnen

Variatie in inkomen en status

Vanaf het begin heeft Centraal Wonen ernaar gestreefd om het delen van voorzieningen in de sfeer van het wonen voor iedereen bereikbaar te maken. Het zou een woonvorm moeten zijn, niet alleen voor mensen die het konden betalen, en ook niet alleen voor mensen met lagere inkomens. Een recht voor iedereen. Een overweging hierbij was dat zo, door wederzijds begrip, de verschillen tussen hogere en lagere inkomensgroepen misschien wat overbrugd konden worden, wat zou kunnen bijdragen aan vermindering van de sociale ongelijkheid in de maatschappij. Het streven naar variatie in status en inkomen kan leiden tot de volgende aanbeveling:

  1. 8)   -maak menging van huur- en koopwoningen mogelijk.
    (Dit leidt tot een wat gecompliceerde situatie op het punt van de besluitvorming, maar deze complicaties zijn oplosbaar, daar zijn speciale huur- en koopcontracten voor ontwikkeld)
     

Variatie in levensovertuigingen

Daarnaast kan het interessant zijn om te variëren op het vlak van levensovertuigingen. Anarchisten, marxisten, kapitalisten, antroposofen, darwinisten en christenen, boeddhisten en taoïsten; de confrontatie van verschillende levensovertuigingen kan veel stof tot nadenken geven, ook wel eens te veel.


De confrontatie van verschillende levensovertuigingen kan ook wel eens te veel stof tot nadenken geven



Bij mijn weten is dit een variatie waar niet vaak expliciet naar wordt gestreefd, maar het bestaat in elk geval bij 'Het Carré' in Delfgauw, waar ecologie, spiritualiteit en het streven naar gemeenschapsvorming naast en door elkaar voorkomen. Dit is een aspect dat niet meteen terug hoeft te komen in het ontwerp.    

Variatie in aangepastheid

Het sociale leven dat meekomt aan het delen van voorzieningen kan betekenis hebben voor mensen die in de maatschappij geen aansluiting kunnen vinden of buitengesloten worden. Zoals mensen met psychische problemen, slachtoffers van huiselijk geweld, ex-drugsverslaafden of ex-gedetineerden. Zij kunnen zich veilig voelen in een groep en dat kan ertoe bijdragen dat zij weer op weg kunnen worden geholpen. Daarom zijn er groepen die een ruimte reserveren om deze mensen tijdelijk op te nemen en te steunen. Ook voor de groepsleden kan dit een positief effect hebben omdat men zo in contact komt met mensen waar men normaal gesproken niet mee te maken krijgt.
Dit streven kan leiden tot de volgende aanbeveling:

  1. neem één of meer woonruimten op in het ontwerp, die geschikt zijn voor tijdelijke opvang en die vallen onder de financiële verantwoordelijkheid van de groep.

Nu concreet

Hoe kun je al deze variatiemogelijkheden combineren? Laten we eens uitgaan van een groep of cluster van acht volwassenen en een paar kinderen. Zou het nu lukken om alle genoemde variaties in deze groep te integreren? Een gedachtenexperiment. Stel de groep bestaat uit twee alleenstaanden, een tweepersoonshuishouden en twee gezinnen. De ene alleenstaande is een alcoholist, de andere is een succesvol popartiest. Het tweepersoonshuishouden bestaat uit twee bejaarden, waarvan er één angstig aan het worden is en dementeert, terwijl de andere kampt met een gokverslaving.

bible belt gezinpunks
baasjedronkelap

Allemaal integreren in één groep

Het ene gezin bestaat uit een vader die directeur is en werkt voor een multinational, terwijl de vrouw vrijwilligster is in een wereldwinkel.  Een van de kinderen is hoogbegaafd en voert niks uit op school, terwijl de andere de wereld wil verbeteren en zich ontwikkelt als milieuactivist. Het andere gezin is afkomstig uit de 'Bible Belt' en wil in gezamenlijkheid mensen opvangen die het moeilijk hebben. In dit geval is dat een ex-gedetineerde die tijdelijk op de opvangkamer woont. De kinderen van dit gezin zitten nog op de lagere school, waar zij regelmatig spijbelen. 


Maximale variatie in één groep, wat voor tafelgesprek kunnen we verwachten?


Als we streven naar een maximale variatie binnen een groep, wordt ons leven op deze manier rijker en rijker? Wat voor tafelgesprek kunnen we hier verwachten? 

Integratie op hogere niveaus

Variatie kan een verrijking betekenen, maar het kan ook te veel worden. Zo veel dat men elkaar niets meer te melden heeft. Wat is nu wijsheid? In de praktijk blijkt dat wonen met gelijkgestemden veel gemakkelijker is en dat men elkaar ook meer met elkaar kan delen.  
Bij de wat grotere projecten, van 50 of meer huishoudens kan integratie van de  verschillende variaties ook plaatsvinden op sociale niveaus boven het niveau van de groep. We kunnen ons voorstellen dat vier groepen een gemeenschappelijke tuin delen, een 'hof'. Nu kunnen we per groep of cluster voor meer homogeniteit zorgen. Bij de eerste kan het accent liggen op gezinnen en de opvoeding van kinderen, bij de tweede op ouderen en hun reflectie op heden en verleden, bij de derde op idealistische jongeren en hun engagement met de maatschappij en bij de vierde groep of cluster op yuppen en hun belevenissen op verre reizen of het uitgaansleven in wereldsteden. Bijvoorbeeld.
Deze vier 'leefstijlen' hebben hun eigen kwaliteiten en ritme, maar ze komen regelmatig bij elkaar in de 'hof' en dan trekken de ouderen op met de kinderen, dan discussiëren de idealisten met de ouders over opvoeding en vrijheid, dan vragen de ouders de ouderen om raad en dan vertellen de yuppen over hun verre reizen. Als men alleen een 'hof' deelt, een tuin met kippen, een speelplek en een barbecue met pik-nik tafel, dan kunnen de verschillende leefstijlen opgaan in een grotere sociale structuur zonder elkaar voor de voeten te lopen.  
Voor de 'hoven' geldt weer hetzelfde: ook hier is het mogelijk om accenten te leggen. Zo kan een hof 'getekend' worden door de interesse voor
buitensporten, voor reizen, kunst, of politiek. Vier leefstijlen die onderdak kunnen vinden in de algemene leefstijl van het gehele 'project'.    
Wat ik met het voorbeeld van de vier groepen dan wel clusters en de vier 'hoven' heb willen illustreren is dat het mogelijk is om verschillende leefstijlen op een hoger sociaal niveau samen te brengen, zodanig dat ze wel met elkaar


Niet alles hoeft in de groep gegooid te worden, nodig is dan wel dat er een hoger niveau is waar de verschillen overbrugd kunnen worden


worden verbonden, maar niet verweven, zodat ze op elkaar betrokken kunnen
zijn zonder elkaar voor de voeten te lopen. Hoe groter de verschillen, hoe hoger men het niveau kan kiezen om ze samen te brengen. Dit concept is toegepast in het project Munksøgard in Roskilde, Denemarken.
munksogard overzichtmunksogard via sattelite

Zo kunnen de voordelen van variatie en gelijkgestemdheid worden verenigd. Maar dit is geen wondermiddel tegen alle problemen die door variatie kunnen ontstaan. Iets wat extra aandacht verdient is de tijdelijke opvang van mensen met aanpassingsproblemen. Dit vraagt om een stevige groep, motivatie en een goede voorbereiding.     
De aanbevelingen die hier gedaan kunnen worden luiden nu:

  1. probeer de variatie te spreiden over nevenschikkende sociale schaalniveaus en te integreren in een hoger sociaal schaalniveau. 
  2. denk niet te licht over tijdelijke opvang

Nieuwe bewoners kiezen

In projecten voor gemeenschappelijk wonen kiest de zittende groep de nieuwe bewoners. Soms direct, door de direct betrokkenen op de plek waar een woonruimte is vrijgekomen, soms door tussenkomst van een commissie. Dit leidt wel eens tot negatieve reacties als: 'Ah, ballotage'. Dat is waar, maar ook nodig. In het Centraal Wonen project waar ik zelf woon heeft een groep dit ooit willen afschaffen. 'Iedereen die zich bij ons thuis voelt is welkom' was het devies.  
Helaas leidde dat in de praktijk tot heel wat problemen. Het bewust instemmen van bewoners is geen garantie hiertegen, maar het kan de kans op problemen wel verminderen. En wat is er tegen? Dit is inherent aan het samen bewonen van een huis. Wie met een partner een huis wil delen probeert ook van tevoren in te schatten of dat wel goed zal gaan. Dat is een heel wat strengere


'Iedereen die zich bij ons thuis voelt is welkom'


procedure dan die van een groep, waar men gegadigden twee of drie keer uitnodigt op een gemeenschappelijke maaltijd! Ballotage, of een 'instemmingsprocedure' is een noodzakelijk kwaad om een idee krijgen of nieuwe bewoners in de groep passen en of zij eventueel een nieuwe inbreng kunnen leveren. 
Door expliciet te zoeken naar specifieke soorten huishoudens, leeftijden, sociale status, levensovertuiging of eventuele maatschappelijke problemen, is het mogelijk de variatie in de samenstelling van de groepen te handhaven of bij te sturen.  
Aanbeveling die hier gedaan kan worden luidt:

  1. 12)   -schrik niet van het woord 'ballotage' maar probeer in te schatten hoe nieuwe bewoners zich zullen voegen in de bestaande groep en wat zij eventueel zouden kunnen toevoegen.
  2. 13)   -zie deze procedure ook als een kans om de bewonerssamenstelling te beïnvloeden om deze in overeenstemming te brengen met eerder gekozen criteria.

 

3   Hoe houden we contact?

Gedeelde voorzieningen, dat is wat alle vormen van gemeenschappelijk wonen met elkaar gemeen hebben. Maar hoe pakken we dat aan?

Afgesproken werk

Op het eerste gezicht lijkt het delen van voorzieningen niet zoveel met het ontwerp van een project te maken te hebben. Als die gedeelde voorzieningen er maar komen. Dat kun je gewoon afspreken hoer en wanneer je ze gebruikt. Door een rooster te maken wanneer er gekookt wordt, en een intekenlijst, en door posters te hangen als er een baravond is, of tuinmiddag. En dan is er ook altijd nog de computer, of de iPhone, waarmee je medebewoners kan bereiken. Wat valt hier meer over te zeggen?
Misschien dit: in de zeventiger jaren werd in Hamburg een woonexperiment opgezet, het 'Wohnmodell Steilshoop'. Het zag er aan de buitenkant uit als een gewone flat, maar de invulling bestond uit woongroepen en communes, die in samenspraak met de bewoners allemaal een andere plattegrond hadden gekregen. Op de begane grond waren er dan nog een crèche, gymnastiek- en hobbyruimten en op het dak een ontmoetings- en vergaderruimte  grenzend aan het dakterras.
steilshoop kinderruimtesteilshoop ontmoetingsruimte
   
De crèche op de begane grond                                   Ontmoetingsruimte op het dak

Een schitterend experiment, maar men had iets over het hoofd gezien. Als je van buiten kwam, en je ging naar je commune, dan kreeg je niets mee van de gemeenschappelijke activiteiten op de begane grond. Die waren allemaal verstopt achter deurtjes aan een binnengang. Om te weten of er ergens iets te beleven was moest je een voor een alle deuren open doen.

Begane grond van het Wohnmodell in Hamburg. Alle deuren van de binnengang openen om te zien of daarachter iets te beleven valt. Of met de lift naar de ontmoetingsruimte op het dak.

Voor de algemene ontmoetingsruimte, annex bar, moesten de bewoners, met de lift naar boven om te zien of daar iemand was. Deze opzet werkte alleen als alles vantevoren werd afgesproken… toevallige ontmoetingen, het idee om

steilshoop plattegrond begane grond


Om te weten of er ergens iets te beleven was moest je één voor één alle deuren open doen


even te blijven kijken of ergens aan mee te doen, een dergelijke spontaniteit werd door het ontwerp totaal ontmoedigd. Een manco dat ongetwijfeld zal hebben bijgedragen aan de vroegtijdige beëindiging van dit interessante experiment.      

Flaneren

Dat het anders kan ligt al in de bovenstaande kritiek besloten. Stel je voor dat je thuis komt en voordat je naar de lift gaat passeer je de algemene ontmoetingsruimte, die misschien een terras heeft, de kinderruimten of de gymnastiekruimte. Daar zie je iemand of je wordt aangesproken en voor je het weet heb je een verhaal aangehoord, je verhaal gedaan of ingetekend voor een maaltijd. Dit mechanisme lijkt op flaneren, denk aan de vakantie, wanneer  je langs allerlei terrasjes loopt en kijkt waar je neer zal strijken. Als je van huis gaat om boodschappen te doen kan hetzelfde gebeuren. Zo kan de lay-out van een project uitnodigen tot spontane ontmoetingen. Maar blijf voorzichtig, je kunt het ook verdrijven. Bij een route die dwars tussen de tafeltjes door loopt is een gesprekje een verplicht nummer aan het worden. Aanbevelingen:

  1. 14)   -zorg voor een ontsluiting van de woning die langs (en niet door) de gemeenschappelijke ruimten voert.
  2. 15)   -voorkom dat gemeenschappelijke ruimten aan het eind van een traject liggen.

Wandelgangen

Niet alleen in de politiek, maar ook in het dagelijks leven zijn er wandelgangen. Als we kijken naar een buurt dan zien we dat mensen overal gelegenheid vinden voor informele gesprekjes. In de rij voor de kassa, in de wasserette, bij de vuilcontainer, overal wisselen zij, terloops, van gedachten, ook over zaken die los staan van de reden dat ze daar zijn, bijvoorbeeld over wat er speelt in de


Op allerlei onverwachte plekken wisselen bewoners van gedachten en vormen zij zich een mening over  wat er speelt.


buurt. Zo vormen buurtbewoners zich een mening over allerlei zaken die de buurt betreffen. Een soort 'bottom up' meningsvorming die later, in officiële  vergaderingen, een rol kunnen gaan spelen.


terrasjes    
Wandelgangen

Dit gebeurt ook in een project met gedeelde voorzieningen. Bewoners maken een praatje bij de wasmachines, bij de brievenbussen, of in de moestuin en dan kan er van alles ter sprake komen. Plannen voor een speeltoestel in de tuin, de nieuwe inrichting van de bar, de toelatingsprocedure voor nieuwe bewoners, de betrokkenheid bij de afgelopen klussendag…  Op allerlei onverwachte plekken wisselen bewoners van gedachten en vormen zij zich een mening over  wat er speelt. Zonder agenda, zonder voorzitter en zonder directe gevolgen. Allemaal terloops, terwijl zij voor iets anders gekomen zijn.

mannenpraatgroep

Meningsvorming, zonder voorzitter, zonder agenda

De kans dat soort gesprekken ontstaan wordt vergroot als er in de buurt van de wasmachines, de moestuin, de brievenbussen, de bar, de gemeenschappelijke tuin en overal waar maar iets gebeurt, gezorgd wordt terzijdes, een brede vensterbank, een bankje of een muurtje, waar men even kan gaan zitten. Wat ook stimuleert is uitzicht op iets dat als aanleiding tot zo'n gesprek kan dienen.     
Aanbevelingen:

  1. zorg bij plaatsen die voor een activiteit bestemd zijn voor een terzijde waar men terloops van gedachten kan wisselen.
  2. zo mogelijk met uitzicht op iets dat als aanleiding tot een gesprek kan dienen.

Buitenstaanders

Hierboven zijn twee soorten contacten geschetst: iets dat leek op flaneren, waarbij men zich gedraagt op een manier die gangbaar is, en de meer informele contacten, 'bottom up', waar meningen worden gevormd. Hier kunnen natuurlijk fricties ontstaan. In de wandelgangen kunnen meningen ontstaan die niet door iedereen gedeeld worden. Zoiets is onvermijdelijk, en misschien ook gunstig. De spanning tussen wat gangbaar is en wat óók zou kunnen houdt het leven erin. Maar deze spanning kan ook tot stroeve toestanden leiden. Gelukkig is er een derde vorm van contact die hier voor wat smeerolie kan zorgen: contacten met buitenstaanders.  Zij kunnen met nieuwe gezichtspunten komen, en ze hoeven zich daarbij niet geremd te voelen. Omdat buitenstaanders niet op de hoogte zijn van dingen die gevoelig liggen, kunnen ze zich, een beetje zoals de hofnar in vroeger tijden, vrij uiten. (Zolang ze beleefd blijven, dat wel!) Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Stel dat je naar een winkelcentrum van een nabijgelegen buurt  wilt gaan. Hier vinden we het gewoon dat we daarvoor niet eerst de buurt moeten verlaten om vervolgens door een soort hoofdingang een andere buurt te betreden. We kunnen binnendoor, waardoor er in een buurt gemakkelijk buitenstaanders


Buitenstaanders zijn niet op de hoogte van dingen die gevoelig liggen, zij kunnen zich, zoals de hofnar in vroeger tijden, vrij uiten.


kunnen komen. Bij woningen is dat anders. Daar kunnen we niet door een tussendeur naar de woonkamer van de buren. Hier moeten we eerst naar buiten en aanbellen. Maar wat nu als het gaat om de groepsruimte van de buren?    
Er zijn projecten waar je vanuit je eigen wooneenheid, binnendoor, naar de groeps- of clusterruimte van je buren kunt gaan doordat een doorlopende binnengang de wooneenheden met de gemeenschappelijke ruimten van de buurgroepen verbindt. Zoals in het woonkollektief Purmerend.

purmerend foto

purmerend plattegrond

Begane grond van woonkollektief Purmerend. De doorlopende binnengang verbindtde wooneenheden met alle tien groepsruimten.

Een punt van overweging is wel hoe groot je de groep buitenstaanders wilt laten worden. Als alle projectgenoten in alle groeps- of clusterruimten kunnen komen is dat misschien wat veel, de kans bestaat dat groepen zich in hun groepsruimte gaan afsluiten. Misschien zijn buitenstaanders uit drie of vier buurgroepen genoeg. Dit principe is ook op hogere sociale schaalniveaus
mogelijk: ook deze kunnen bereikbaar worden gemaakt voor wooneenheden die er niet direct op betrokken zijn. Overigens is het ook hierbij weer van belang te zorgen voor een aanleiding tot een gesprek. Aanbevelingen:

  1. verbindt een aantal groeps- of clusterruimten met elkaar, binnendoor, maar voorkom dat er te veel buitenstaanders toegang hebben tot deze ruimten.
  2. kijk of dit principe ook op hogere niveaus te realiseren is.
  3. denk weer aan gespreksaanleidingen. 

Drempels

De archetypische Amerikaanse woning heeft een veranda. Na het werk kan men hier wat rusten, op een schommelstoel, met de krant en een drankje bij de hand. Van hieruit heeft men zicht op de straat en, indien gewenst, kan men contact leggen met voorbijgangers.
cowboydorp belgie

Veranda's in gefingeerd cowboydorp grenzend aan centrumgebied (België)

Dit principe, ook wel 'porch life' genoemd, kan worden toegepast op andere niveaus. Eenheden kunnen een veranda hebben die uitzicht geeft op de groeps- of clusterruimte. Deze laatste ruimten kunnen ook weer een veranda of terras hebben, dat uitzicht biedt op een gemeenschappelijke hof. En ook deze hof kan weer een terras of drempelgebied hebben dat uitzicht geeft, ditmaal op de projectvoorzieningen. Tenslotte kunnen ook de projectvoorzieningen een drempelgebied hebben, een terras, dat uitzicht biedt op het leven in de buurt. Zo heeft men telkens zicht op het volgende sociale schaalniveau. Vanaf de eenheid kun je zien wat zich afspeelt op groeps- of clusterniveau, van hieraf kun je zien wat zich afspeelt op het hofniveau enz. Omgekeerd werkt dit ook. Vanaf bijvoorbeeld het niveau van de hof kan men 'terugkijken' naar de


Drempels kunnen werken als een soort cement tussen de verschillende schaalniveaus.


veranda's of terrassen van de groepen die samen de hof vormen en zien wie daar aanwezig zijn en wat zij doen. Zo kunnen drempels, als een soort cement, zorgen voor samenhang in een project en ook voor samenhang tussen een project en de buurt.    
Wat hierbij weer helpt is een aanleiding die een gesprek op gang kan brengen. Een barbecue plek in werking, konijnen in de hof, een waterpomp waar kinderen spelen…  Aanbevelingen:

  1. zorg op elk sociaal niveau voor een veranda, terras of ander drempelgebied
  2. denk ook hier aan een aanleiding die een gesprek op gang kan brengen

Drie soorten van contact

We hebben hierboven drie vormen van contact gezien die elk een verschillend effect hebben en die ook om verschillende om voorzieningen vragen. Omdat dit na een eerste lezing misschien wat verwarrend overkomt wil ik besluiten met een korte samenvatting.

  • Voor de reguliere contacten tussen bewoners zou de ontsluiting zo moeten worden ontworpen dat deze langs de gemeenschappelijke ruimten voert, dit voor het 'flaneereffect'.
  • Verder kan er gedacht worden aan plekjes om, terloops, van gedachten te wisselen en 'bottom up' meningen te vormen, het wandelgangeneffect.
  • Ten derde kunnen mogelijkheden worden geboden voor contacten met buitenstaanders. Hiervoor kan de ontsluiting weer worden ingezet om eenheden of woningen aan te sluiten op meerdere groeps- en clusterruimten, om groepsruimten aan te sluiten op meerdere hoven enz. 
    Om al deze vormen van contact te versterken en om de samenhang in een project te onderstrepen kan gedacht worden aan drempelgebieden die als een soort cement tussen de verschillende niveaus kunnen worden aangebracht.


4)  Alle aanbevelingen

  1. leden van het huishouden delen een woonkamer en een keuken
  2. 4 huishoudens die een cluster vormen, of 8 personen die een groep vormen, delen een woonkeuken
  3. 4 clusters of groepen (16 huishoudens), ca 30 personen delen een hof, bestaande uit een tuin, een fietsenberging en mogelijk eenhobbyruimte en wasmachines.
  4. 4 hoven (64 huishoudens), ca 130 personen bewonen een 'project' ofstraat met een algemene ontmoetingsruimte en mogelijk hobbyruimten en ruimten voor kinderopvang.
  5. zorg voor een variatie in woninggrootte.
  6. houdt de mogelijkheid open voor een woonruimte met eigen opgang voorkinderen die zelfstandig beginnen te worden.
  7. zorg voor woningen die geschikt zijn voor ouderen, jongeren en gezinnen.
  8. maak menging van huur- en koopwoningen mogelijk.
    (Dit leidt tot een wat gecompliceerde situatie op het punt van de besluitvorming, maar deze complicaties zijn oplosbaar, daar zijn speciale, gecombineerde huur- en koopcontracten voor ontwikkeld)
  9. neem één of meer woonruimten op in het ontwerp, die geschikt zijn voortijdelijke opvang en die vallen onder de financiële verantwoordelijkheid van de groep.
  10. probeer de variatie te spreiden over nevenschikkende sociale schaalniveaus en te integreren in een hoger sociaal schaalniveau.
  11. denk niet te licht over tijdelijke opvang
  12. schrik niet van het woord 'ballotage' maar probeer in te schatten hoe nieuwe bewoners zich zullen voegen in de bestaande groep en wat zij zouden kunnen toevoegen.
  13. zie deze procedure ook als een kans om de bewonerssamenstelling te beïnvloeden om deze in overeenstemming te brengen met eerder gekozen criteria.
  14. zorg voor een ontsluiting van de woning die langs (en niet door) de gemeenschappelijke ruimten voert.
  15. voorkom dat gemeenschappelijke ruimten aan het eind van een traject liggen.
  16. zorg bij plaatsen die voor een activiteit bestemd zijn voor een terzijde waar men terloops van gedachten kan wisselen.
  17. zo mogelijk met uitzicht op iets dat als aanleiding tot een gesprek kan dienen.
  18. verbindt een aantal groeps- of clusterruimten met elkaar, binnendoor, maar voorkom dat er te veel buitenstaanders toegang hebben tot deze ruimten.
  19. kijk of dit principe ook op hogere niveaus te realiseren is.
  20. denk weer aan gespreksaanleidingen.
  21. zorg op elk sociaal niveau voor een veranda, terras of ander drempelgebied
  22. denk ook hier aan een aanleiding die een gesprek op gang kan brengen
foto